Inhoud: Ger Harmsen, emeritus-hoogleraar van de RUG, overleed 3 april. Hij werd bekend om zijn CPN-verleden en zijn geschiedschrijving van de arbeidersbeweging. Twee van zijn ex-studenten herinneren hem ook anders: “Hij spaarde zichzelf niet.”
Toen wij de studie sociologie in 1976 begonnen, bestond er een studentenbeweging onder invloed van de Communistische Partij Nederland (CPN). Ger Harmsen gaf als hoogleraar Dialectische en Oosteuropese filosofie aan de RUG drukbezochte colleges op het Sociologisch Instituut over het historisch materialisme, de geschiedenis van de arbeidersbeweging en over vrouwenemancipatie. Buiten de colleges klonk kritiek van studenten die zich door de Groningse CPN lieten sturen. We begrepen dat dit te maken had met zijn uittreden uit de partij in 1957.
Hij had allang afscheid genomen van zijn vroegere opvattingen. Zijn dissertatie ‘Blauwe en rode jeugd’ uit 1961 over de geschiedenis van de Nederlandse jeugdbeweging was gebaseerd op gedetailleerd bronnenonderzoek. Zijn kritische benadering van de rol van de CPN in tal van andere publicaties veroorzaakte de oploopjes van de studenten.
Wat opviel was dat een directe confrontatie met hem uit de weg werd gegaan. De CPN-studenten durfden zijn colleges niet stil te leggen, zoals bij andere docenten, om hen hun persoonlijke standpunten betreffende het marxisme naar voren te laten brengen. Harmsen wist veel meer dan zij en beschikte bovendien over meer debatvaardigheden. Hij was er trots op een ouderwetse schoolmeester genoemd te worden. Voor ons was hij een erudiete en inspirerende docent die altijd bereid was zijn kennis en bibliotheek ter beschikking te stellen. Toen wij hem eens luchthartig vertelden dat we onze belangstelling voor de arbeidersbeweging een uit de hand gelopen hobby noemden, viel hij even stil en verzuchtte toen dat dat natuurlijk ook kon.
Zelf was hij sterk verbonden met de vakbeweging. In 1975 verscheen in samenwerking met Bob Reinalda het boek ‘Voor de bevrijding van de arbeid’, dat voortkwam uit de kaderscholing van de Industriebond NVV. Het boek was vaste kost in de werkcolleges. Het is vooral een overzicht van de acties van de linkse vakbeweging. De christelijke en rooms-katholieke vakorganisaties hadden vooral een remmende rol. Later nuanceerde Harmsen de rol van de confessionele vakbeweging.
In 1985 werkten wij aan de bundel ‘Een Eeuw socialisme en arbeidersbeweging in Groningen 1885-1985’. Harmsen was voor ons een klankbord bij het opzetten van dit boek en bedacht deze eenvoudige titel, waardoor het hoogdravende ‘Een Eeuw van Strijd’ afviel. Harmsen leverde zijn schets van de Groningse communist Geert Sterringa. Redactionele opmerkingen over het hoofdstuk over de oorlog, dat werd geschreven door een rechtgeaarde communist, stuitten op weerstand bij het CPN-hoofdkantoor. De auteur trok zich terug en het hoofdstuk moest door de redactie worden herschreven. Dat iemand zich door een politieke partij liet terugfluiten, gaf aanleiding tot humorvolle beschouwingen van Harmsen over zijn eigen verleden bij de CPN. Wij leerden hem toen ook kennen als iemand met een scherp psychologisch inzicht. Hij spaarde zichzelf niet.
In 1987 ging Harmsen met emeritaat en in 1993 verscheen zijn autobiografie ‘Herfsttijloos’ (Colchicum autumnale) een levensverhaal, waarin ook zijn werk aan de RUG aan de orde kwam. Harmsen wierp zich ook met volle kracht op een project waarvan sinds 1986 enige delen waren gepubliceerd: het ‘Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland’, waarvan het afsluitende negende deel in 2003 verscheen. Hij leverde de meeste bijdragen en schreef niet alleen over de linkse arbeidersbeweging, maar ook over vrijdenkers, Spinoza en natuurbeschermers als Jac. P. Thijsse.
Harmsen bedreef geschiedschrijving die anderen wel de narratieve-institutionele stijl noemden. Zelf was hij wars van schoolvorming, hoewel de historici en andere academici die hij opleidde wel tot de ‘Groningse School’ werden gerekend. Deze school onderscheidde zich van de structurele en meer kwantitatief gerichte ‘Utrechtse School’ rond de sociaal historicus Theo van Tijn.
Harmsen legde de nadruk op het handelen van mensen en niet op de structuren waaruit het menselijke was verdwenen. Studenten die zich afficheerden als aanhangers van de structuralistische marxist Althusser, diende hij van repliek met opmerkingen in de trant van: “Als alles gedetermineerd is, stel ik voor naar huis te gaan, want de geschiedenis neemt toch wel zijn loop.” Hij werd niet moe erbij op te merken dat hij dan zijn tijd zou besteden aan zijn grote verzameling mossen, die hij wel determineerde.
De vakbondsgeschiedschrijving zoals Harmsen die bedreef, raakte in de jaren negentig uit de mode. Harmsen en de zijnen werden volgens hemzelf voor “hopeloos ouderwetse vertellers” gehouden. Gita Deneckere, de Gentse hoogleraar Nieuwste geschiedenis, brak in 2000 voorzichtig een lans voor Harmsens opvattingen toen ze opmerkte dat de ‘Groningse school’ weinig aanhang kende. Zij betreurde dit omdat die vorm van betrokken narratieve geschiedschrijving leidde tot levendige beschrijvingen. Hans Blom, directeur van het NIOD, stelde dat het oeuvre van Harmsen nog lang als ‘Fundgrube’ zou functioneren.
Harmsen droeg in 2003 zijn uitgebreide archief over aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Hij bleef tot het einde van zijn leven productief als schrijver. Hij legde voor zijn plotselinge overlijden de laatste hand aan een boek over sociale romans in de Nederlandse literatuur.
Jannes Houkes en Piet Hoekman studeerden historische sociologie aan de RUG en werken nu bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam
© 2005 Universiteitskrant | laatste versie: 6 april, 2005 | top
|